🇩🇪
Kampeer-taalgids

Duits op de camping

Een paar woorden Duits aan de receptie en je bent meteen welkom. Het taalgidsje van vroeger in het handschoenenkastje — maar dan voor de camping. Met het beleefde "Sie" kom je ver.

Beleefdheid: Gebruik "Sie" (u-vorm) aan de receptie en met onbekenden. "Du" (jij) is informeel en alleen voor mensen die je uitnodigen het te gebruiken.

1. Aankomst en receptie

Nederlands Duits Uitspraak
Goedendag Guten Tag (GOET-en taach)
Goedemorgen Guten Morgen (GOET-en MOR-chen)
Goedenavond Guten Abend (GOET-en AH-bent)
Heeft u nog een plek vrij voor een caravan? Haben Sie noch einen Stellplatz frei für einen Wohnwagen? (HAH-ben zie noch EI-nen STEL-plats frai fuer EI-nen VOON-vaa-chen)
Heeft u nog een plek vrij voor een tent? Haben Sie noch einen Stellplatz frei für ein Zelt? (HAH-ben zie noch EI-nen STEL-plats frai fuer ain tselt)
Wij zijn met twee personen en een caravan. Wir sind zu zweit mit einem Wohnwagen. (veer zint tsoo tsvait mit EI-nem VOON-vaa-chen)
Ik heb een reservering. Ich habe eine Reservierung. (ich HAH-be EI-ne re-ser-FEER-oong)
Ik wil graag ... nachten blijven. Ich möchte ... Nächte bleiben. (ich MOECH-te ... NECH-te BLAI-ben)
Wat kost een plek per nacht? Was kostet ein Stellplatz pro Nacht? (vas KOS-tet ain STEL-plats pro naxt)
Is er stroom op de plek? Hat der Stellplatz einen Stromanschluss? (hat deer STEL-plats EI-nen STROOM-an-shloos)
Mag ik een rustige plek, uit de buurt van het toilet? Kann ich bitte einen ruhigen Platz bekommen, weit weg von den Toiletten? (kan ich BI-te EI-nen ROO-ich-en plats be-KOM-en, vait veg fon den toi-LE-ten)
Waar moet ik naartoe rijden? Wo soll ich hinfahren? (vo zol ich HIN-fah-ren)

2. Faciliteiten en sanitair

Nederlands Duits Uitspraak
Waar zijn de douches? Wo sind die Duschen? (vo zint dee DOO-shen)
Waar zijn de toiletten? Wo sind die Toiletten? (vo zint dee toi-LE-ten)
Zijn de douches gratis? Sind die Duschen kostenlos? (zint dee DOO-shen KOS-ten-loos)
Waar kan ik grijs water lozen? Wo kann ich Grauwasser entsorgen? (vo kan ich GRAU-vas-er ent-ZOR-chen)
Waar is de wasmachine? Wo ist die Waschmaschine? (vo ist dee VASH-ma-shee-ne)
Heeft u WiFi op de camping? Gibt es WLAN auf dem Campingplatz? (chipt es VEE-lan auf dem KAM-ping-plats)
Wat is het WiFi-wachtwoord? Was ist das WLAN-Passwort? (vas ist das VEE-lan-PAS-vort)

3. Kampeerspullen

Nederlands Duits Uitspraak
caravan der Wohnwagen (deer VOON-vaa-chen)
camper / motorhome das Wohnmobil (das VOON-mo-beel)
tent das Zelt (das tselt)
luifel / voortent das Vorzelt (das FOR-tselt)
haring der Hering (deer HEE-ring)
hamer der Hammer (deer HA-mer)
gasfles die Gasflasche (dee GAHS-fla-she)
stroomaansluiting (CEE-stekker) der Stromanschluss / die Campingsteckdose (deer STROOM-an-shloos)
verlengkabel das Verlängerungskabel (das fer-LEN-che-roongs-kaa-bel)
waterslang der Wasserschlauch (deer VAS-er-shlauch)
drinkwater das Trinkwasser (das TRINK-vas-er)
slaapzak der Schlafsack (deer SHLAAF-zak)

4. Boodschappen en eten

Nederlands Duits Uitspraak
Waar is de dichtstbijzijnde supermarkt? Wo ist der nächste Supermarkt? (vo ist deer NECH-ste ZOO-per-markt)
Heeft u vers brood? Haben Sie frisches Brot? (HAH-ben zie FRI-shes broot)
de bakker die Bäckerei (dee bek-er-AI)
een fles water eine Flasche Wasser (EI-ne FLA-she VAS-er)
butagas / propaangas Campinggas / Propangas (KAM-ping-gahs / pro-PAAN-gahs)
Heeft u gasvullingen / gasflessen? Haben Sie Gasflaschen? (HAH-ben zie GAHS-fla-shen)

5. Problemen en pech

Nederlands Duits Uitspraak
De douche is niet schoon. Die Dusche ist nicht sauber. (dee DOO-she ist nicht ZAU-ber)
De stroom op mijn plek doet het niet. Der Strom auf meinem Stellplatz funktioniert nicht. (deer shtroom auf MAI-nem STEL-plats foonk-tsio-NEERT nicht)
Er staat water in de tent / caravan. Es steht Wasser im Zelt / Wohnwagen. (es shteyt VAS-er im tselt / VOON-vaa-chen)
Mijn auto heeft een lekke band. Mein Auto hat einen Platten. (main AU-to hat EI-nen PLA-ten)
Kunt u mij helpen? Können Sie mir helfen? (KOE-nen zie meer HEL-fen)
Ik heb iets verloren. Ich habe etwas verloren. (ich HAH-be ET-vas fer-LOH-ren)

6. Noodgevallen

Nederlands Duits Uitspraak
Bel 112! Rufen Sie 112! (ROO-fen zie ain-ein-tsvai)
Help! Hilfe! (HIL-fe)
Ik heb een dokter nodig. Ich brauche einen Arzt. (ich BRAU-che EI-nen artst)
Waar is de dichtstbijzijnde apotheek? Wo ist die nächste Apotheke? (vo ist dee NECH-ste ah-po-TEE-ke)
Er is brand! Es brennt! (es brent)
Bel een ambulance! Rufen Sie einen Krankenwagen! (ROO-fen zie EI-nen KRAN-ken-vaa-chen)
Koolmonoxide / CO-alarm Kohlenmonoxid / CO-Alarm (KOH-len-mo-nok-seet)

7. Afscheid en betalen

Nederlands Duits Uitspraak
Ik vertrek morgen. Ich reise morgen ab. (ich RAI-ze MOR-chen ap)
Hoe laat moet ik de plek vrij hebben? Bis wann muss ich den Stellplatz räumen? (bis van moos ich den STEL-plats ROI-men)
Mag ik afrekenen? Kann ich bitte bezahlen? (kan ich BI-te be-TSAA-len)
Kan ik met pin / creditcard betalen? Kann ich mit Karte bezahlen? (kan ich mit KAR-te be-TSAA-len)
Heeft u een ontvangstbewijs? Kann ich eine Quittung bekommen? (kan ich EI-ne KVI-toong be-KOM-en)
Tot ziens / Prettige vakantie! Auf Wiedersehen / Schönen Urlaub! (auf VEE-der-zeen / SHOE-nen OOR-laup)

Andere talen