Het idee voor de bus was eenvoudig: neem de motoren het platform van de Kever, zet er een rechthoekige laadruimte omheen en je hebt een goedkoop en betrouwbaar bestelbusje. Dat was de redenering van de Nederlandse importeur Ben Pon, die het concept in april 1947 op een servet schetste tijdens een zakelijke ontmoeting in Duitsland. VW-directeur Heinz Nordhoff hapte toe, en op 8 maart 1950 rolde de eerste officiële T1 van de band.
De spijl die alles bepaalt
De bijnaam 'spijlbus' verwijst naar de metalen spijl die de twee afzonderlijke ruitdelen van de voorruit scheidt. Die gespleten ruit was geen designgril, maar puur praktisch: grote gebogen autoruiten waren in de vroege jaren vijftig nog moeilijk te produceren. Toch werd dit technische compromis het beeldmerk van een generatie. Kampeerders, ambachtslieden, surfers en hippies — iedereen herkende de bus meteen.
Van hippiebus tot kampeericoon
Westfalia begon al in 1951 met de eerste kampeerinrichting voor de T1: een zogenaamde 'Camping Box' op verzoek van een Britse officier gestationeerd in Duitsland. Al snel volgde een officieel samenwerkingsverband met VW. De bus kon daarna af fabriek worden besteld met een slaapbank, tafel en keukentje — kamperen kon nooit meer terug. In de loop van de jaren zestig werd de T1 ook het symbool van de tegencultuur: Amerikaans beschilderd, beladen met surfplanken of uitgerust als rijdend huis op de hippie trails naar India. In 1967 werd de productie in Duitsland gestopt, maar in Brazilië bleef de T1 nog decennialang doorlopen.
Waarom de T1 een klassieker is
Een goed bewaarde T1 haalt op veilingen moeiteloos vijftig- tot zeventigduizend euro op, en de allervroegste 'Barndoor'-versies (met de grote achterklep tot circa 1955) gaan voor nog hogere bedragen. Maar de echte reden dat de spijlbus zo geliefd is, heeft niets met geld te maken: het is een bus waarbij zelfs vreemden op straat beginnen te glimlachen.


