Alfred Tabbert (1908–1973) was van huis uit carrosseriebouwer. Hij leerde het carrosseriebouw-vak en opende in 1934 zijn eigen bedrijf in Schweinfurt: Karosseriebau Alfred Tabbert. Na de oorlog zag hij kansen in de opkomende vrijetijdsmarkt. In 1953 presenteerde hij zijn eerste caravan aan het publiek, met 120 medewerkers achter zich. Twee jaar later, in 1955, lag het eerste seriemodel — de "Ideal" — in de showrooms.

De stijl van het Wirtschaftswunder

De jaren zestig waren voor Tabbert de periode van de grote doorbraak. Het West-Duitse Wirtschaftswunder bracht een nieuwe middenklasse voort die méér wilde dan alleen een dak boven hun hoofd op de camping. Ze wilden comfort, uitstraling, kwaliteit. Tabbert speelde daar meesterlijk op in met modellen die klonken als adellijke titels: de "Kurfürst", de "Exzellenz", de "Comtesse" en de "Gouverneur". De interieurs waren weelderig voor die tijd — vaste vloerbedekking, gestoffeerde banken, houten afwerking — en de buitenkant was even onderscheidend.

De Tabbert-neus en het achtergeventileerde dak

In 1963 kristalliseerde het visuele DNA van het merk in twee iconische elementen: de karakteristieke "Tabbert-neus" — een ronde, naar voren uitstekende voorzijde — en het achtergeventileerde dak, dat condensatie tegenhield en voor een beter binnenklimaat zorgde. Beide ontwerpkeuzes werden zo herkenbaar dat kampeerders ze van kilometers afstand herkenden. Eind jaren zestig verliet de 25.000ste Tabbert de fabriek. In 1971 was Tabbert de grootste caravanfabrikant van Duitsland.

Waarom een klassieker

Alfred Tabbert overleed in 1973; zijn bedrijf leeft voort als onderdeel van de Knaus Tabbert Groep. Maar de erfenis van het originele merk zit in iets ongrijpbaars: Tabbert bewees dat een caravan ook een statusobject kon zijn. De wagens uit de jaren zestig en vroege jaren zeventig zijn vandaag de dag geliefde verzamelobjecten. Op oldtimer-kampeermarkten duiken ze regelmatig op, glanzend gerestaureerd — en altijd met die onmiskenbare neus.